Vragen over de houdbaarheid van beleid huishoudelijke hulp

Met de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (WMO2015) is er veel veranderd. Zo zijn gemeenten sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk geworden voor de huishoudelijke hulp. Iedere gemeente geeft hier op zijn eigen wijze invulling aan, waarbij de door de rijksoverheid opgelegde bezuinigingen hen noodzaken tot versobering. De veelal schrijnende situaties en de nodige juridische procedures konden daarbij het afgelopen jaar op de nodige aandacht van de media rekenen.

De gemeente Harlingen heeft, samen andere gemeenten in Noordwest Friesland, besloten om de eerste 3 uren huishoudelijke hulp aan te merken als een ‘algemene voorziening’. Voor deze voorziening is de hulpbehoevende het reguliere uurtarief verschuldigd, al dan niet met een collectieve korting van de gemeente. Via het minimabeleid kan een compensatie voor het resterende uurtarief worden verkregen.

Recente uitspraken van de bestuursrechter roepen bij de raadsfractie vragen op, of het beleid zoals Harlingen dit ten aanzien van de huishoudelijke hulp hanteert, nog wel houdbaar is. Ook een recente brief van staatssecretaris Van Rijn plaatst kritische opmerkingen bij dit beleid. De raadsfractie Harlinger Belang vraagt zich af in hoeverre ingezette beleid wat betreft de huishoudelijke hulp nog houdbaar is. Wij hebben hiertoe schriftelijke vragen aan het college gesteld.